Het kralenspel is een filosofische onderzoeksmethode, gebaseerd op de gesprekken van Socrates en de ideeënleer van Plato.
Het is een handzame methodiek voor het ontwikkelen van een onderbouwde visie op een actuele werk- of privékwestie en brengt dialoog en reflectie tot stand.
In het kralenspel analyseer je een kwestie niet alleen met je hoofd, maar ook met je hart en je verbeelding. Het gaat niet alleen om denken en taal, maar ook om gevoel, expressie, creativiteit en inspiratie. Een idee zoeken is nagaan hoe je in vorm komt: het Griekse woord voor ‘idee’ betekent ‘vorm’.
Het kralenspel gaat, net als andere varianten van socratisch gesprek, uit van het belang van ervaringsonderzoek, het werken met concrete voorbeelden uit de eigen ervaring. Die spits je toe op een hittepunt, een cruciaal moment, waarvan je vervolgens de vooronderstellingen onderzoekt met behulp van ‘regressieve abstractie’ (het systematisch ‘terug redeneren’ naar de onderliggende, abstracte uitgangspunten). De methode is gebaseerd op de aanname dat het gezochte innerlijk weten al in ons aanwezig is (anamnese).
Je kunt een kralenspel in je eentje uitvoeren, als individuele reflectie. Maar het wint aan kracht als het voortkomt uit een groepsgesprek. De ‘vormen’ of ideeën waar je naar op zoek bent zijn geen louter subjectieve denkbeelden, ze stijgen uit boven het puur persoonlijke. In het onderzoek loop je, afwisselend individueel en collectief, de tien kralen van het spel na. Als volgt:
De houding van waaruit je de feiten onderzoekt wordt vanouds onderscheiden in buik, hart, hoofd, de drie delen van de ziel. In de beeldtaal van de mythologie: monsters die je bedreigen (buik), de heldenkwaliteit die van je gevergd wordt (hart), en de goden die je inspireren (hoofd). In alledaagse termen: risico’s, belangen, waarden.
Het is makkelijker eerst 5 en 7 te formuleren, en daarna pas 6.
Op dit niveau onderzoek je welke verschillende zienswijzen hier tegenover elkaar staan, de Scylla en Charybdis waar je tussendoor hebt te laveren. Benoem ze en beargumenteer ze. Eén manier om dat te doen is ‘het groot-en-kleine’ op te zoeken:
8: Groot: maak je zienswijze of gevoel heel groot. Tot wat voor redenering en antwoord leiden zij dan?
9: Klein: maak daarna deze zienswijze of je gevoel heel klein. Hoe zien de redenering en het antwoord er dan uit?
Maar er kunnen ook andere polen of tegenstellingen zijn: harmonie – conflict, veel geld – weinig geld; macht – liefde; man – vrouw; groei – kwaliteit; liberaal – conservatief etc.
Tenslotte formuleer je wat in dit geval het idee is, datgene wat jou, anderen en de kwestie als geheel ‘in vorm’ kan brengen. Een idee geeft de essentie aan, de ‘sleutel’ van de kwestie, of ook wel het principe dat een persoon met verstand zou hanteren.
Het kan zijn dat je deze vraag niet onmiddellijk kunt beantwoorden, dat ze tijd nodig heeft om te rijpen. Probeer dan je vermoedens onder woorden te brengen. Het kan helpen na te gaan wat de kardinale deugden hier inhouden: